Eylandt Flielandt

Cultuur Historische Vereniging

Genoeg mensen die óp camping Stortemelk hebben gelegen, maar eronder? Deze zomer was het 25 jaar geleden dat een 12-jarige badgast een massagraf ontdekte vlak bij de Bolder. 'Vers' waren de veertien skeletten gelukkig niet. Vier betrokkenen blikken terug.


Een “keurig duintje”, zo noemt Jan van der Veen, campingdirecteur van destijds, de plek des onheils. “Het was een heuveltje, je kon er niet echt op kamperen, maar wel overheen lopen.” Vlak bij de Bolder, ter hoogte van vak Oranje en vak Blauw, waar nu de safaritenten staan.



De Friese jonge campinggast Jorrit Geertsma was er aan het spelen. Hoe het precies ging, daarover deden en doen talloze verhalen de ronde. Hij zou zijn voetbal hebben gezocht, of achter een konijn aan zijn gegaan.

Maar aan de Cultuurhistorische Vereniging Eylandt Flielandt

vertelt Jorrit graag hoe het écht ging. “Het echte verhaal is:

op Vlieland had je stuifzwammen waar, als je erop trapt, iets

uitkomt wat lijkt op rook. Dus dat deed ik altijd”, vertelt hij.

“Ik dacht die zwammen ook te zien toen ik van de tent naar

de kampwinkel liep. Ik liep ernaartoe en trapte erop, maar

merkte dat de 'zwam' niet meegaf.”


Al heel snel had Jorrit door dat het iets anders moest zijn.

“Ik begon te graven en zag delen van een schedel en op een

gegeven moment ook wat werveltjes. Daar raakte ik wel

enthousiast van, ik had thuis ook weleens koeienbotten gevonden en we hadden de schedel van een paard in de garage liggen. Ik groef alles snel weer in, want ik wilde niet dat iemand anders het zou vinden. Vervolgens liep ik naar mijn vader toe. 'Pap, ik heb een lijk gevonden!', zei ik.”


Vader Geertsma vermoedde dat het oude botten zijn, maar nam zijn zoon en een deel van de vondst mee naar het politiebureau. De dienstdoende agent rook niet meteen onraad. “We legden het stuk voor stuk neer. Eerst delen van een schedel. Je zag die agent toen nog kijken: 'oké, nou, leuk, iemand heeft oude botjes gevonden'. Maar toen we ook de wervels neerlegden, keek hij meteen al een stuk serieuzer. Heel mooi om te zien hoe zijn blik veranderde. Maar de vraag was toen wel: is dit van een mens of een dier?”


Toenmalig huisarts John Deen gaf uitsluitsel: het ging om een mens. Vervolgens begon het verhaal pas echt te rollen. Meerdere agenten togen naar de camping. Onder meer de onlangs overleden prominente Vlielander Auke Poppema, destijds agent, werd opgetrommeld. Jan: “Ik was toen net een jaar campingdirecteur. Daarvoor werkte ik bij de Vlie- landse politie, dus ik kende iedereen nog.” Ook de Forensische Recherche en de toenmalige Rijksdienst Oorlogsgraven maakten de oversteek.



Midden op de camping

“Ze hebben de boel afgezet en zijn gaan graven”, vertelt gemeentemedewerker Leo Hans Sterenberg. “Het was midden op de camping, bijna langs de kant van de weg, iedereen liep er gewoon langs. Wij als gemeente hadden er niet eens zo gek mee te maken, maar een van onze opzichters die vroeger op de teermolen werkte, vond het maar wát spannend. Dus die mocht tijdens de opgraving op de kraan werken.”


















Jan: “Er kwamen steeds meer skeletten bij. Al vrij snel bleek dat ze helemaal geen verwondingen hadden. Ze hadden bijvoorbeeld geen kogelgaten of gebroken armen. En ze lagen allemaal keurig netjes naast elkaar, met de armen gekruist over de borst en het gezicht naar het westen. We hadden geen idee.”


Ook de forensische recherche wist er zo gauw geen raad mee. De enige conclusie die er ter plaatse te trekken viel, was wat John Deen al had gezegd: dat de botten heel oud waren.


Volop geruchten






















Interesse overheerste

“Als we dat niet direct hadden geweten, was het natuurlijk een heel serieuze zaak geweest. Maar nu was het spannend, historisch van belang en vooral heel interessant. Dat gevoel overheerste. Want hoe waren die mensen daar gekomen? Het was toch best een eindje van de zee af. Ze moeten door de duinen heen zijn gesleept om te worden begraven op een plek buiten bereik van de zee.”


En eerlijk is eerlijk: het was “ook gewoon sensatie”, erkent Jan. Zo midden in de journalistieke komkommertijd was zowel de regionale als landelijke pers massaal uitgerukt. En terwijl Vlielanders in die tijd amper op de camping te vinden waren, “waren er die dagen meer dan ooit tevoren, het was toch een bijzondere gebeurtenis”, weet hij nog.  


Maar spektakel of niet: ook Jorrit was er geen enkel moment echt van onder de indruk. “Ik vond het geen enkel moment eng, nee. Het voelde heel normaal om zulke vondsten te doen. We gingen ook vaak naar de Vliehors en kwamen dan met zakken vol gevonden kogels terug. Achteraf hoorden we dan dat daar ook mortieren lagen die nog niet waren afgegaan. Maar risico's voelde je op die leeftijd nog niet.”


Op dat moment hield Jan nog de optie open dat het mogelijk een massagraf uit de Tweede Wereldoorlog is. “Dat zou ook nog kunnen, dachten we eerst. Vlak achter de camping, richting het Witte Lid, het vliegveldje, hadden we namelijk ook weleens granaten gevonden in konijnenholen.”



18e eeuwse mannen

Maar nee: de lichamen blijken nog veel ouder, ontdekte het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Rijswijk. Die onderzochten de vrijwel intacte skeletten van in totaal zestien mannen. Soldaten konden het gezien hun vermoedelijke leeftijden – van 18 tot 72 jaar – niet zijn. Alleen maar kerels, dat wekte de indruk dat er geen sprake was van een ziekte-uitbraak. Zeelui, dat kon wel.










Wie aan een scheepsramp bij Vlieland in de 18e eeuw denkt, denkt algauw aan het gezonken goudschip Lutine. Maar de datering van het knoopje heeft bijna net zo'n wonderlijke nasleep als de vondst van het massagraf an sich. 'Slaande ruzie om duinskeletten', kopte De Telegraaf, nooit vies van een relletje, in november 2001.



Handgemeen

Toenmalig directeur Bert Huiskes van museum Tromp's Huys had nét aan de pers verteld dat het onderzoek nog wel een half jaar kon duren, toen archiefmedewerker Bert Stenekes zijn eigen conclusies trok en een dag later op eigen houtje aan de pers meedeelde. Hij had ontdekt dat er in 1781 een rampschip op Vlieland was waar op raadselachtige wijze steeds doden vielen en waarvan in totaal 16 lichamen zijn begraven, meldde dagblad Trouw.


“Stenekes had vrij snel gevonden wie er in die duinen hadden gelegen, maar Huiskes wilde eerst nog een heel onderzoek. Welnee joh, dacht Stenekes: ik heb er toch over gelezen?” zo vat Leo Hans de verhitte discussie samen. “Stenekes deed op dat moment in het gemeentearchief onderzoek naar de zogeheten 'hoge zijde' en 'lage zijde' van Vlieland, dus die kon vrij snel concluderen wie het moeten zijn geweest.”


1 en 1 is 2, zou je inderdaad denken – al is dat onmogelijk officieel te bewijzen. Maar Huiskes kon de stap naar de pers niet hebben, aldus beide kranten, wat leidde tot een handgemeen tussen werkgever en werknemer. Huiskes moest het volgens de overlevering met sneeën in zijn hoofd en een gehavend kunstgebit bekopen.



Terug op Vlieland

Na hun tripje naar de wal keerden de zestien skeletten terug naar Vlieland voor hun aller-, allerlaatste rustplaats. Niet op de camping, niet in welk duin dan ook, maar gewoon op de begraafplaats.



Hoe een niet-bestaande zwam naar 16 'campingskeletten' leidde


Alle vondsten werden gezeefd en verzameld, vervolgt Leo Hans. De schedel en wervels bleken onderdeel van een heel skelet. Maar er lag nog een skelet. En nog één. En nog één. Bouwlampen werden opgesteld, want het werd donker maar het graafwerk was na één dag nog steeds niet voorbij.


Ondertussen had Jorrit het hartstikke druk met de pers te woord staan. “Die dagen stonden voor mij in het teken van interviews voor het Jeugdjournaal en allerlei kranten. Ik was toen twaalf, dus op een gegeven moment was ik daar wel een beetje klaar mee. Het was erg lekker weer, dus ik wilde liever weer met vriendjes naar het strand.”



Maar zoals dat gaat op Vlieland, draaide de geruchtenmachine op volle toeren. “Er werd enorm gespeculeerd”, weet Jan nog. Zijn vrouw Judith kampeerde destijds zelf op Stortemelk. “De hele dag en avond stonden mensen er met hun neus bovenop. Er stond ook iemand bij die de vondsten registreerde. Elk vingerkootje werd geteld.”


“Ik stond op vak Wit, dus ik liep er steeds langs als ik naar de Bolder of naar mijn tent liep. Die persoon zei dan: 'We hebben nu drie bovenbeenderen en vijf kleine botjes'. Nou, op vak Groen bijvoorbeeld werd dan al gesproken van twintig bovenbeenderen hoor. En op de hele camping gonsde het verhaal dat er een massamoord op Vlieland was gepleegd. Iedereen had een ander verhaal. Heel komisch.”


Wat zich daar afspeelde, die opgraving, daar kon natuurlijk geen recreatieteam tegenop”, lacht Jan. En dat terwijl het best eng klinkt: er zouden maar ineens lijken op 'jouw' camping gevonden worden. Maar doordat vrij snel duidelijk was dat de zaak wel eeuwenoud kon zijn, zat hij niet bepaald in zak en as.

Waarschijnlijk zijn de botten van een groep zeelieden die in de 18de eeuw als drenkelingen aanspoelden, concludeerde het NFI. Dat viel af te leiden uit één gevonden knoopje, een zogeheten kieltje. Dat 'keelknoopje' zorgde ervoor dat mannen hun boord bij elkaar hielden en werd alleen tussen 1750 en 1800 geproduceerd.



Leo Hans: Wanneer je de begraafplaats op loopt, zie je het zogeheten 'dooienhuusje'.

Links daarvan liggen de drenkelingengraven, waaronder deze. Inclusief een herdenkingstegel.”

En anders dan de 'huurgraven' die zonder betalende nabestaanden op een gegeven moment worden geruimd, mogen deze zeelui nu eindelijk wel echt blijven liggen.



Dit artikel werd gepubliceerd in Tien Eeuwen Eylandt Flielandt in augustus 2026.

De vondst en het onderzoek hebben plaats gevonden in 2001. De herbegrafenis in 2004.



copyright foto: Jeugdjournaal


copyright foto: Jeugdjournaal


copyright foto: Judith Olthuis